Inflatie is meer dan een duurder boodschappenbriefje. Deze uitleg laat zien hoe de prijsstijging wordt gemeten, wat koopkracht betekent en waarom beleggers ernaar kijken.
Inflatie is een verandering van de algemene prijsstand
Een hogere prijs aan de pomp is op zichzelf geen inflatie. Ook een goedkoper treinkaartje is dat niet. Inflatie betekent dat de prijzen van goederen en diensten gemiddeld en over een brede linie stijgen. Daardoor koopt dezelfde euro na verloop van tijd minder. Het begrip klinkt abstract, maar het raakt het maandbudget, spaargeld, loononderhandelingen en de waardering van beleggingen.
Voor beleggers is inflatie vooral een vraag over koopkracht en verwachtingen. Een rendement van 5 procent voelt anders wanneer prijzen ongeveer 1 procent stijgen dan wanneer ze ongeveer 4 procent stijgen. De tweede situatie zegt niet automatisch dat een belegging slecht is. Zij betekent wel dat er meer rendement nodig is om de koopkracht van het ingelegde geld te behouden. Daarom kijken markten vaak scherp naar inflatiecijfers, ook zonder dat één cijfer de toekomst voorspelt.
Zo wordt inflatie gemeten
In de eurozone wordt de consumentenprijsinflatie gemeten met de geharmoniseerde consumentenprijsindex, vaak HICP genoemd. Nationale statistiekbureaus verzamelen prijzen van een brede mand met producten en diensten. Eurostat brengt die gegevens samen. De mand bevat bijvoorbeeld voeding, kleding, huur, energie, vervoer en diensten. Producten waarop huishoudens gemiddeld meer uitgeven krijgen een zwaarder gewicht dan producten die maar een klein deel van het budget vormen.
De gebruikelijke jaarinflatie vergelijkt de prijs van die mand in een maand met dezelfde maand een jaar eerder. Stel dat een volledig hypothetische mand vorig jaar 1.000 euro kostte en dit jaar 1.030 euro. Dan is de berekening 1.030 min 1.000 gedeeld door 1.000 maal 100. De uitkomst is 3 procent. Dat is geen uitspraak over ieder afzonderlijk product en evenmin over de persoonlijke uitgaven van één huishouden.
Persoonlijke inflatie kan afwijken van het gemiddelde. Wie veel autorijdt merkt een verandering in brandstofprijzen sneller. Wie relatief veel aan huur of kinderopvang besteedt kan andere prijsdruk ervaren. De index blijft toch nuttig omdat hij een vaste, vergelijkbare meetlat biedt. Zonder zo’n mand zou een losse lijst van prijsstijgingen al snel vooral laten zien waar iemand toevallig op let.
Waarom inflatie relevant is voor spaarders en beleggers
Inflatie legt de lat voor het reële rendement. Dat is het rendement nadat rekening is gehouden met de stijging van de prijzen. Bij een hypothetische spaarrente van 3 procent en inflatie van 2 procent is de koopkracht na een jaar grofweg hoger. Bij dezelfde rente en 4 procent inflatie is zij grofweg lager. Voor een nauwkeurige benadering deelt u 1,03 door 1,04 en trekt u daar 1 vanaf. Dat komt uit op ongeveer min 0,96 procent reëel rendement.
Inflatie speelt ook mee in de rente. Centrale banken streven naar prijsstabiliteit en gebruiken hun beleidsrentes om de financiële voorwaarden te beïnvloeden. Hogere of lagere beleidsrentes werken niet één op één door naar elke hypotheek, obligatie of aandelenkoers. Toch veranderen ze de kosten van lenen, de opbrengst van sparen en de manier waarop beleggers toekomstige bedrijfswinsten waarderen. Verwachtingen over inflatie zijn daarom vaak minstens zo belangrijk als het laatste cijfer.
Een onderneming kan hogere kosten soms doorberekenen en soms niet. Dat hangt af van concurrentie, contracten, vraag en de positie van het bedrijf in de keten. Een belegger kan dus beter niet aannemen dat aandelen als groep automatisch bescherming bieden. De samenstelling van een portefeuille, de waardering en de beleggingshorizon blijven bepalend.
Drie manieren om naar de cijfers te kijken
Neem opnieuw een hypothetische belegging van 10.000 euro. Na een jaar is de waarde 10.500 euro, een nominaal rendement van 5 procent. Als de algemene prijsstand in dat jaar 2 procent stijgt, vertegenwoordigt die 10.500 euro koopkracht van 10.500 gedeeld door 1,02. Dat is ongeveer 10.294 euro in prijzen van het beginjaar. De koopkrachtwinst is dan ongeveer 294 euro. De rekenstap maakt duidelijk waarom procenten niet zomaar van elkaar moeten worden afgetrokken.
Een tweede voorbeeld gaat over obligaties met een vaste coupon. Als een bestaande obligatie jaarlijks een vast bedrag uitkeert, wordt de koopkracht van die uitkering lager wanneer de prijzen sneller stijgen. Nieuwe obligaties kunnen later een andere rente bieden, maar dat herstelt de waarde van een reeds gekochte obligatie niet vanzelf. De looptijd en kredietkwaliteit spelen daarnaast een grote rol.
Ten derde kan een inflatiecijfer dalen terwijl prijzen nog steeds stijgen. Als de jaarinflatie afneemt van 5 naar 2 procent, is het tempo van prijsstijging lager. Het algemene prijsniveau hoeft daardoor niet terug te gaan. Voor dalende prijzen over een brede linie is deflatie nodig. Dat onderscheid voorkomt de veelgemaakte fout om minder inflatie te lezen als lagere prijzen.
Waar een snelle conclusie mis kan gaan
Een maandcijfer is beweeglijk. Energie, voeding of seizoensproducten kunnen de uitkomst tijdelijk sterk beïnvloeden. Een cijfer zonder uitsplitsing vertelt weinig over de oorzaak. Kerninflatie, loonontwikkeling en prijsverwachtingen kunnen aanvullende informatie geven, maar ook die maten zijn geen glazen bol. Wie belegt op één publicatie neemt al snel meer ruis dan inzicht mee.
Ook de nominale rente kan misleiden. Een hoge spaarrente is niet automatisch aantrekkelijk wanneer inflatie nog hoger is. Andersom kan een lage nominale rente bij zeer lage inflatie minder ongunstig uitpakken dan het percentage suggereert. Belastingen, kosten en de eigen tijdshorizon komen daar nog bij. Vergelijk daarom bedragen, rendementen en doelstellingen in dezelfde context.
Ten slotte is inflatie geen persoonlijk koopadvies. Zij helpt bij het beoordelen van koopkracht, maar vertelt niet welke aandelen, obligaties of fondsen passen bij iemands financiële situatie. Een buffer voor onverwachte uitgaven, een passende horizon en inzicht in risico zijn fundamenteler dan proberen elk inflatiesignaal te verhandelen.
Kijk naar koopkracht, niet alleen naar het percentage
Inflatie is de brede stijging van consumentenprijzen en wordt gemeten met een gewogen mand. Het cijfer is een gemiddelde, waardoor de ervaring per huishouden kan verschillen. Voor beleggers is de kern dat nominaal rendement niet hetzelfde is als behoud van koopkracht.
Een bruikbare gewoonte is om bij ieder rendement drie vragen te stellen. Wat is het nominale percentage, welke prijsstijging hoort bij dezelfde periode en welke kosten of belastingen blijven nog over. Die vragen geven geen compleet financieel plan, maar voorkomen dat een aantrekkelijk percentage zonder koopkrachtcontext wordt gelezen.
Gebruik inflatie daarom als context. Kijk naar de meetmethode, de periode en de mogelijke oorzaak van een verandering. Een rustig opgebouwde portefeuille en een heldere horizon zijn beter te toetsen dan een reactie op één krantenkop. Dat maakt inflatie niet minder belangrijk, maar wel beter hanteerbaar.
Bronnen
Dit artikel bevat algemene informatie en is geen persoonlijk beleggingsadvies.
